QNAP Systems, Inc. - netwerk opslag (NAS)

Language

Support

Hoe Q’center te gebruiken om meerdere QNAP NAS-eenheden centraal te beheren en monitoren?

“Q’center houdt u op de hoogte van de systeemstatus van alle NAS-eenheden!”

 

Over Q’center

Q'center is een krachtige QNAP Turbo NAS beheertool. U kunt de status en systeeminformatie van meerdere Turbo NAS-eenheden tegelijk bekijken vanaf een enkele eenheid. Deze tool maakt het eenvoudig om het gebruik van systeembronnen te inspecteren, de gezondheid van schijven/volumes te controleren, en andere beheerstaken uit te voeren. Met deze centrale beheertools kan Q'center beter ten dienste staan van IT-beheerders en de Turbo NAS-gebruikers bij de toewijzing van systeembronnen en toekomstige capaciteitsplanning.

Server

Met het "server"-scherm kunt u Turbo NAS-eenheden controleren, beheren en toevoegen aan de lijst van beheerde servers. U kunt hier de operationele status van elke beheerde server bekijken. U kunt ook naar de inlogpagina gaan van die server door te klikken op .
Kies "Server" op de taakbalk om het menu te openen.

Nieuwe servers toevoegen

Kies “Add” (Toevoegen).

Het systeem biedt twee manieren om nieuwe servers toe te voegen aan de lijst: een enkele server toevoegen op basis van het IP-adres of de hostnaam, een of meerdere servers toevoegen door het importeren van een CSV-bestand, en nieuwe (of meerdere) servers toevoegen binnen een subnet.

Voer IP-adres/hostnaam in van de server, het poortnummer en het wachtwoord van het admin-account om een verbinding met de server te maken.

Serverinformatie verkrijgen

Op het “Server”-scherm kiest u de server waarvan u de status en andere informatie bekijken wilt.

Het zal de volgende informatie weergeven over de server: “General” (Algemeen), “Storage” (Opslag), “Online User” (Online gebruikers), “Shared Folder” (Gedeelde mappen), “Capacity” (Capaciteit), “Performance” (Prestaties), Server logs en “Server Connection” (Server-verbindingen).

QTS-inlogscherm

U kunt ook naar de inlogpagina gaan van die server door te klikken op .


Daarna kunt u de inlogpagina zien van de bewuste Turbo NAS in een nieuw tabblad.

U moet nog wel het account en wachtwoord opgeven om in te kunnen loggen op QNAP NAS

Aangepaste attributen toevoegen

Een attribuut is een kenmerk van een server die uiteenlopende waarden kan hebben. Kies "Custom Attribute" (Aangepaste attribuut) om een attribuut toe te voegen aan servers. Om een attribuutwaarde aan een server toe te wijzen, kiest u de server en dan "Edit" (Wijzigen) in het menu "Server". Kies het tabblad "Custom Attribute" (Aangepaste attribuut) en dubbelklik op het overeenkomstige waardeveld van het attribuut om zijn waarde in te voeren. Deze attributen kunnen worden gebruikt als filters in de functie "Report" (Rapport).

Kies “Custom Attribute” (Aangepaste attribuut) om een attribuut toe te voegen.

Kies “Edit” (Wijzigen) in het menu “Server”, kies het tabblad “Custom Attribute” (Aangepaste attribuut) en dubbelklik dan op de attribuutwaarde om een waarde aan de gekozen server toe te wijzen.

Dashboard

Het "Dashboard"-scherm biedt u tools waarmee u gemakkelijk de systeemstatus kunt inspecteren en monitoren. U kunt dashboards aanpassen om een snel overzicht te verkrijgen van specifieke informatie over het systeem of de status (met inbegrip van het gebruik van bronnen, schijfvolume en gezondheid).

Een dashboard openen

Kies het "Dashboard"-icoon op de taakbalk, en gebruik de lijst “Open dashboard”.

Een nieuw dashboard maken

Kies het "Dashboard"-icoon en vul een dashboard-naam in in het veld "Dashboard Name" (Dashboard-naam) onder de sectie “Create new dashboard” (Een nieuw dashboard maken).

Na het maken van een nieuw dashboard kunt u verschillende “widgets” (dingetjes) toevoegen via het scherm "Add” (Toevoegen).

Widgets toevoegen

Wanneer u een specifiek dashboard opent, kunt u meer widgets eraan toevoegen door te kiezen “Add” (Toevoegen) in de linkerbovenhoek.

Layout veranderen

Kies “Layout” om te schakelen tussen een layout van twee of drie kolommen.

Rapport

Het “Report” (Rapport)-scherm biedt een verscheidenheid aan samengestelde rapporten om beheerders te assisteren bij het gemakkelijk verkrijgen van een overzicht van de verschillende instellingen en statussen.

Een rapport openen

Klik op "Report" (Rapport) op de taakbalk om het menu naar voren te brengen, en kies een rapport uit de rapportsjablonen.

Andere rapporten openen

Klik op om andere rapporttypen te openen. Het is zeer handig om tussen verschillende rapporten te schakelen.

Het grafische rapport

U kunt schakelen tussen de weergave van “pie charts” (cirkeldiagrammen) en “bar charts” (staafdiagrammen) afhankelijk van het rapportonderwerp.
U kunt schakelen van staafdiagrammen naar cirkeldiagrammen door te kiezen zoals hieronder weergegeven is:

Een rapport exporteren

Kies “Export” (Exporteren) en het weergegeven rapport zal omgezet worden naar een CSV-bestand dat u naar uw computer kunt downloaden.

Log

Het "Log"-scherm geeft een historie weer van server-activiteiten, waardoor u snel een overzicht krijgt van de geregistreerde acties en verbindingen op alle beheerde servers. Ook wordt een registratie bijgehouden van alle waarschuwingen en systeemgebeurtenissen.

Server-activiteiten bekijken

Kies “Server Log” om alle server-activiteiten te bekijken vanuit elke beheerde server. Gebruik de zoekfunctie voor content-gebaseerde filters door een trefwoord in te vullen in het zoekveld.

Daarnaast kunt u log-items classificeren op basis van informatie, waarschuwing of fout om u te helpen door de lijst te bladeren.

Regel

Via het "Rule" (Regel)-scherm kunnen beheerders regels instellen voor het efficiënt beheren van meerdere servers via dezelfde configuratie. U kunt meerdere configuratieparameters instellen in een regel en de regel toepassen op de gekozen servers. Servers die de regel opgelegd krijgen zullen automatisch geconfigureerd worden met de instellingen van de regel.

Een regel toevoegen

In het “Rule” (Regel)-menu kiest u “Add” (Toevoegen) en daarna “Rule” (Regel).

Vul in de “rule name” (regelnaam) en de “description” (beschrijving), en kies “Next” (Volgende).

Kies de servers waarop de regel toegepast moet worden, en kies daarna “Next” (Volgende).

U kunt Turbo NAS-servers configureren met gedefinieerde systeem- en privilege-instellingen en hoe zij netwerkdiensten zullen controleren. Geselecteerde servers zouden automatisch geconfigureerd moeten worden met de instellingen die u geconfigureerd heeft.
Bijvoorbeeld, u kunt een DNS-server configureren die gebruikt moet worden door alle gekozen servers.

Een verzameling regels toevoegen

Een verzameling regels bestaat uit meerdere regels. Bijvoorbeeld, we kunnen de volgende regels combineren tot een verzameling van regels

In het “Rule” (Regel)- menu klikt u op “Add” (Toevoegen) om een nieuwe “rule set” (verzameling regels) toe te voegen.

Vul de naam in van de verzameling regels, de beschrijving, en klik daarna op “Next” (Volgende).

Kies de server waarop de verzameling regels toegepast moet worden, en klik daarna op “Next” (Volgende).

Sleep de regels van de lijst met ”All Rules” (Alle regels) naar de “Selected Rules” (Gekozen regels).

De verzameling met regels zal aangemaakt worden.

Indien twee regels dezelfde configuratieparameters hebben, heeft degene die vooraan staat een hogere prioriteit. Bijvoorbeeld, in de volgende configuratie zal het systeem 172.17.17.17 gebruiken als DNS-server in plaats van de andere optie.

Firmware Lib

Via het "Firmware Lib"-scherm kunt u firmware beheren op Turbo NAS servers. U kunt de firmware-versie bekijken van alle servers en direct de meest recente firmware verkrijgen van QNAP.

Firmware uploaden

Kies servers uit de lijst en klik daarna op “Upload” om firmware te versturen vanuit uw computer naar de bewuste servers.

Blader door uw computer en kies de firmware die geüpload moet worden.

Firmware downloaden

Kies servers uit de lijst en klik op “Download” om de meest recente firmware-versie te downloaden.

Het zal de voortgang van de download controleren. U kunt op ieder moment de download stoppen.

Firmware verwijderen

Kies ongewenste firmware uit de lijst en klik op “Delete” (Verwijderen).

Controleren op update

Kies "Check for Update" (Controleren op update) om te controleren of er firmware-updates beschikbaar zijn.

Meldingen

In het "Notification" (Meldingen)-scherm kunt u meldingen via e-mail configureren wanneer bepaalde vooraf gedefinieerde systeemcondities zich voordoen.

Een waarschuwingsbeleid toevoegen

Kies “Add” (Toevoegen) in het “Notification” (Meldingen)-scherm om een nieuw waarschuwingsbeleid toe te voegen.

Vul in de “name” (naam),”description” (beschrijving) en de e-mailadressen die de meldingen moeten ontvangen, en kies daarna “Next” (Volgende).

Kies de servers op de lijst die gecontroleerd moeten worden, en klik daarna op “Next” (Volgende).

Kies “Add” (Toevoegen) om een nieuw criterium toe te voegen.

U kunt een waarschuwingscriterium instellen op basis van CPU-gebruik, geheugengebruik, volumegebruik, poolgebruik, netwerk-download, netwerk-upload, of afwijkend servergedrag (waaronder schijfdefecten of overmatige systeemtemperaturen) voor dit waarschuwingsbeleid. Let op: als u meerdere criteria instelt voor een beleid, wordt u gewaarschuwd als aan een van de criteria voldaan wordt.

Let op dat u reeds de SMTP-server geconfigureerd moet hebben in het tabblad "SMTP Server" om e-mailwaarschuwingen te kunnen ontvangen.

SMTP-server configureren

Kies "SMTP Server" in het menu "Notification" (Meldingen). Configureer de SMTP-server voor het ontvangen van e-mailwaarschuwingen. Raadpleeg uw e-mailprovider voor het verkrijgen van de correcte SMTP-instellingen.

SNMP Trap configureren

Kies "SNMP Trap" in het menu "Notification" (Meldingen). Voer het IP-adres in van de SNMP-server met het geïnstalleerde SNMP-programma en de communicatie-poort. Vul in het veld “Community”(Gemeenschap) de naam in van de SNMP-community (die meestal openbaar of particulier is) waarnaar de traps verzonden moeten worden. U kunt ook het MIB (Management Information Base) bestand hier exporteren en vervolgens importeren in uw SNMP-beheerprogramma.

Instellingen

Het “Settings” (Instellingen)-scherm biedt u uitgebreide functies voor het beheren van Q’center, waaronder Account, LDAP-configuratie, AD-configuratie, Patch, Instellingen exporterent/importen en Externe back-up.

Account

Kies “Add” (Toevoegen) in het “Account”-scherm.

Vul in “Name” (Naam), “Description” (Beschrijving), “Email” (E-mail), “Authentication”(Authenticatie), “Password” (Wachtwoord), “Role” (Rol), “Time Zone” (Tijdzone), en “Register Code” (Registratiecode), kies daarna “OK”.

De registratiecode is een geverifieerde methode die door Q'center aangeboden wordt. Wanneer u een NAS toevoegen wilt aan Q'center in een NAT-router-omgeving, kunt u de Q'center Assistent gebruiken om de Q'center Agent te installeren met een Q'center IP, poort, en registratiecode, en daarna een NAS toevoegen aan Q'center met Q'center Agent.

U kunt een controle uitvoeren van de account-rollen, authenticatie, tijd van aanmaken en de laatste inlogtijd in de accountlijst.

LDAP-configuratie

Als u de LDAP wilt gebruiken om account-authenticatie uit te voeren, moet u de LDAP-configuratie op deze pagina instellen. Kies "Test" na het invoeren van alle instellingen om er zeker van te zijn dat de LDAP-server de LDAP-service ingeschakeld heeft, kies daarna "Apply" (Toepassen).

AD-configuratie

Als u AD wilt gebruiken om account-authenticatie uit te voeren, moet u een AD-configuratie instellen op deze pagina. Kies "Test" na het invoeren van alle instellingen om er zeker van te zijn dat de AD-server de AD-service ingeschakeld heeft, kies daarna "Apply" (Toepassen).

Patch

Kies “Upload” in het Patch--scherm om patch-bestanden te uploaden die door QNAP worden aangeleverd voor het updaten van Q’center.

Instellingen exporteren/importeren

Kies “Export” (Exporteren) om instellingen te exporteren die alle systeeminstellingen en historische gegevens van Q’center bevatten.

U kunt ook “Browse” (Bladeren) kiezen om de instellingen te uploaden.

Externe back-up

Met “Remote Backup” (Externe back-up) kunt u een back-up maken van alle systeeminstellingen en historische gegevens van Q’center naar een externe server. Kies “Enable remote backup” (Externe back-up inschakelen) en vul de verbindingsgegevens in.

Kies “Get folder” (Map verkrijgen) om de mappenlijst van de externe server te verkrijgen.

Geef op “Destination folder” (Doelmap), “Backup file name” (Bestandsnaam van back-up), en “Backup frequency” (Back-upfrequentie), kies daarna “Apply” (Toepassen) om de externe back-up in te schakelen.

Uitgavedatum: 2014-12-31
Was dit nuttig?
Bedankt voor uw feedback.
Bedankt voor uw feedback. Neem contact op met support@qnap.com als u vragen hebt.
50% van de mensen vond dit nuttig